De laatste weken word ik overspoeld door citroenen. Citroenen van Bob Negryn, de citroen van Willem Kalf, citroenen uit andere stillevens...Zelfs in mijn vrije tijd lacht een stilleven van citroenen in een kooktijdschrift mij tegemoet. Wat is dat met deze vruchten?
De citroen is van oudsher een geliefd onderwerp, maar Bob Negryn fotografeert ook andere voorwerpen. Hij toont ons de schoonheid van dagelijkse objecten. Over hoe hij dat doet ga ik u iets vertellen, geïllustreerd met in vogelvlucht de ontwikkeling van het stilleven. Het werk van Bob Negryn zet ik naast traditionele en minder traditionele voorbeelden.
Maar wat zijn dat eigenlijk, stillevens? Schilder, dichter en theoreticus Van Hoogstraten, omschreef het in 1678 als: [...] of met zwierige festons, vlecht bloemkranssen, en stelt veelverwige ruikers in potten en vazen, en Wijntrossen en schoone Pers en Abrikoos, of Meloen en Citroen, en een helderen Wijnroomer op een zwangeren Dis; met witte en geverfde Papeljoentjes, Roomsche Haegdis, en Kalabrische Tarantel, of Muyzijkboek en Vanitas in der eeuwicheit. Of zy bestellen keukens met allerlei kost, van Vlees en Visch, en bekoorlijk Wiltbraet, en al wat onder den naem van stil leven begreepen is.
Van Dale omschrijft het iets minder poëtisch: ‘een groepering van onbeweeglijke voorwerpen als model voor een beeldend kunstenaar’.
Het stilleven ontwikkelt zich rond 1400 tot een zelfstandig genre, hoewel de term pas in de 17e-eeuw zijn intrede doet. Voor die tijd worden wel dagelijkse voorwerpen afgebeeld, maar die dienden als illustratie van een scène of ter decoratie van een wand.
De waardering ervan begint niet zonder meer positief. Alles op aarde werd toentertijd ingedeeld in rangordes, een hiërarchie die terugkomt in de kunstgenres, met het levenloze ding, zoals stillevens, onderaan op de ladder. Op de hoogste trede staat het goddelijke, met religieuze- en historiestukken. Tussen deze uitersten bevinden zich de portretten en figuurstukken. Overigens waarderen kunstenaars een goed bloemstuk als net zo moeilijk te schilderen is als een figuurstuk.
De Nederlandse schilders geven in het begin van de 17e-eeuw stofuitdrukking zo goed weer, dat echte of geschilderde kostbaarheden het bijna niet voor elkaar onder doen. De weerspiegeling van glas, de glans van zilver, de zachtheid van fluweel, het koude steen van een kan, het zoete van appels, het kwetsbare van papier. Alles wordt tastbaar.
In de bedrieglijk realistische trompe l’oeil techniek. 17e -eeuwse stillevenschilders lichten in een donkere omgeving één object of enkele voorwerpen uit. Dit in tegenstelling tot Negryn, die in zijn foto’s de hele omgeving gelijkmatig belicht.
Vanaf die tijd doet een groeiende markt het stillevengenre razendsnel ontwikkelen. Naast de adel heeft dan ook de bovenlaag van burgers en kooplieden geld te besteden. De adel vat gaandeweg een voorliefde voor het stilleven op en de nieuwe rijken willen daar niet voor onder doen. Kunstenaars verbinden zich zelfs aan hoven en worden bedolven onder de opdrachten. De vraagprijs van een stilleven halverwege de 17e eeuw is met eenzelfde vaart gestegen: tussen de honderd en driehonderd gulden, evenveel als een jaarsalaris van een schoenmaker!
Er zijn verschillende soorten stillevens, zoals fruitstillevens, jachttrofeeën, overvloedige tafels en vanitasstillevens. Vroeg in de 17e - eeuw verschijnen ook bloemstillevens, zoals van Ambrosius Bosschaert uit 1606. De bloemen ernaast zijn van Bob Negryn uit 2004. Beide boeketten staan in een vaas. Het bloemstuk van Bosschaert bestaat uit veelkleurige en verschillende bloemen, die goed uitkomen tegen de zwarte achtergrond. Naast de vaas liggen enkele bloemen los naast een vlinder, een rups en een slak die symbool staan voor respectievelijk leven, dood en wederopstanding.
Het is niet duidelijk waar de vaas met tulpen van Negryn staat, vanwege de eenkleurige, rode voor- en achtergrond. De bloemen hangen gebogen naar beneden. De vergankelijkheids symboliek mist bij Negryn, hoewel je de dode tulpen wel als een verwijzing kunt zien.
In de volgende twee stillevens is een stuk rauw vlees prominent aanwezig: een 17e - eeuws stilleven en het ‘lapje vlees’ van Negryn. In het klassieke stilleven staan een kan, vaas, kookpot en andere kookattributen op een houten tafel. Het vlees hangt erboven aan een haak. Door de sobere tinten wordt de aandacht getrokken naar de virtuositeit waarmee huid en structuur van de voorwerpen zijn weergegeven. Het vlees heeft echter een rauwrode kleur gekregen en vormt daardoor het middelpunt van het werk.
Het lapje vlees van Negryn is van bovenaf gefotografeerd, zodat het vleeskleurige kleed waarop het ligt ook goed zichtbaar is. Negryn isoleert één voorwerp uit een stilleven, vergroot het uit en plaatst het in een onnatuurlijke setting.
Stillevens bevatten moraliserende boodschappen en symbolische betekenissen, maar het is niet altijd zeker of de interpretaties die erop losgelaten worden ook zo bedoeld zijn door de kunstenaar. Deze moralistische schilderijen heten vanitas en zijn herkenbaar aan ‘vergankelijke’ elementen, zoals zeepbellen, een bijna doorgelopen zandloper of een citroen. Ze staan voor de leegte van het aardse bestaan en het verstrijken van de tijd.
Bij Kalf springt de citroen het meest in het oog. De schil hangt voor een deel van de fruitschaal af, contrasterend met de ongeschilde citroen in de schaal.
Negryn speelt met zijn citroen duidelijk naar symbolische objecten uit dit soort stillevens. Het isoleren en uitvergroten resulteert in een grotere dramatiek van de citroen.
Halverwege de 18e- eeuw stopt de grote opmars van het stilleven. Hoewel het stilleven nooit helemaal verdwijnt, verandert het in deze tijd. Door de uitvinding van de fotografie begin 19e- eeuw, ontstond de angst dat schilders overbodig werden. Want een fototoestel vangt de werkelijkheid zeer realistisch. Daarom zoeken schilders naar een nieuwe manier om de werkelijkheid te vangen in verf.
Dit leidt uiteindelijk tot het impressionisme: de suggestie van het moment, waarbij snelle verftoetsen en weinig contour ‘sfeer’ en ‘licht’ oproepen, zoals de Waterlelies van Monet. Licht verandert kleur, daarom moet er vlot geschilderd worden zonder details, dikke verf wordt opgebracht met een losse kwast.
Negryn speelt ook zijn bijna impressionistisch spel met licht en schaduw. Maar waar hij het moment van de juiste lichtval afwacht, steken bij Negryn de contouren van de breekbare gepolijste kopjes scherp en contrasterend af tegen de ruwe rots. Voor Negryn is stofuitdrukking belangrijk, in tegenstelling tot de moderne manier van schilderen.
Begin twintigste eeuw experimenteren kunstenaars met andere materialen en technieken, naast de vraag over de essentie van kunst. Het thema wordt nu een hulpmiddel voor een artistiek concept.
Picasso maakt kubistische stillevens, zowel geschilderd, als in collages met papier en ander materiaal en zelfs stillevens als sculptuur.
Neemt Picasso een hoog standpunt in, dan benadrukt hij de strakke, geometrische vormen: zelfs de stoffen hebben scherpe vouwen. De sinaasappel van Negryn is op ooghoogte gefotografeerd. De schil hangt sierlijk naar beneden. Licht - en schaduwwerking is er nauwelijks, in tegenstelling tot in Picasso’s werk. Maar het meest opvallende is het nadrukkelijke spel van Negryn met de verschillende structuren: de gladde achtergrond, het tafelkleed met een floraal motief en de ruwe schil van de sinaasappel met het sappige vruchtvlees. Dit bereikt hij door het gebruik van een technische camera met A5 negatieven. Negryn kijkt met een zwarte doek over het hoofd door de lens en alles wat hierdoor te zien is komt op het negatief en vergroot de structuur uit. Resulterend in een ander type werkelijkheid, omdat het beeld meer details toont dan je in een oogopslag kan zien. Picasso en Negryn maakten bovendien beiden een stilleven als sculptuur. Eenvormigheid in kleur en materiaal bemoeilijkt de directe herkenbaarheid van Picasso’s absintglas. Het enige contrast vormt het robuuste materiaal met de tengere absintlepel die er dwars op ligt. De sokkel maakt, evenals bij Negryn, deel uit van het werk. Zijn wollen kleed dient als voetstuk voor de glanzende tafeltjes, waarop mat gekleurde houten flessen zijn geplaatst.
In de tijd dat veel kunstenaars abstract gaan werken, legt bijvoorbeeld Dick Ket zich toe op het realisme. De invloed van het kubisme is zichtbaar in zijn werk: het hoge standpunt verplat de voorstelling naast de geometrische compositie van kleden. Zijn thema’s verbeelden de zichtbare werkelijkheid. Door de vervreemdende sfeer die Ket oproept in zijn schilderijen, wordt hij gerekend tot de magisch realisten, met voorstellingen die wel mogelijk, maar niet waarschijnlijk zijn. Ook Negryn speelt in zijn foto’s met vervreemding. Dit werk kan gezien worden als een verwijzing naar de 17e-eeuwse stillevens, waar dikwijls eieren op afgebeeld zijn, maar Negryn neemt er een loopje mee omdat hij het ei breekt. De lobbige dooier en het vloeibare eiwit op een kleed ogen onnatuurlijk en de voorstelling werkt daardoor vervreemdend.
Ook in de collectie van Gasunie zijn diverse stillevens aanwezig. Hierin zijn de verschillende stromingen van hedendaagse Nederlandse kunst te zien van de afgelopen decennia.
De tafel van Dolf Verlinden gaat terug op het werk van Matisse, gelet op de contouren, de transparantie en de kleuren. Hier kijk je van bovenaf op de tafel. De voorwerpen zijn goed herkenbaar, maar zeer vereenvoudigd. Matisse wordt gerekend tot Les Fauves, de Franse expressionisten, die aan het begin van de twintigste eeuw actief waren. Kenmerkend zijn de fel contrasterende kleuren naast elkaar en het missen van perspectief.
Max Raedecker is een navolger van de impressionisten. Omgeving en meloenen zijn neergezet met losse verftoetsen, zonder duidelijke contouren. Het onderwerp vloeit over in de achtergrond.
Evenals bij Raedecker kijken we bij Negryn van bovenaf op zijn onderwerp. Doordat de rozen vager worden naar de randen toe, lopen ze over in de achtergrond met dezelfde kleur. Het verschil met Raedecker is dat Negryn een contrast aanbrengt tussen de structuren, de zachte rozenblaadjes en het wollige kleed, terwijl Raedecker de gehele afbeelding met dezelfde verftoets neerzet.
Renze Dijkema fotografeert ook stillevens, maar zijn object is door de uitsnede en de uitvergroting nagenoeg onherkenbaar: het is de onderkant van een staalborstel. Dijkema laat de relatie met de zichtbare werkelijkheid meer los dan Negryn: zijn meloen vormt, prominent en scherp neergezet, het middelpunt van de aandacht. Maar ook Negryns meloen is illusie doordat hij de objecten met de camera bewerkt, vervormt en bespeelt. En, in tegenstelling tot Dijkema, hij plaatst de objecten in een omgeving. Maar een onnatuurlijke.
Met de focus op één object, geïsoleerd of in serie, vestigt Negryn de aandacht op deze alledaagse dingen. Hierdoor bekijken we het object met andere ogen en ontdekken we de schoonheid ervan. Zo illustreert Negryn met zijn stillevens de zakelijke omschrijving van Van Dale wel heel poëtisch.