Spring naar inhoud

‘Een duurzame energievoorziening is goedkoper mét, dan zonder groene waterstof’

Nieuws

Type
Nieuws
Leestijd
11 min lezen
Datum

Op 1 maart 2024 trad Willemien Terpstra aan als CEO van Gasunie. Onlangs presenteerde ze voor het eerst de jaarcijfers en een nieuwe strategie. ‘Elektronen en moleculen horen allebei thuis in de energievoorziening van de toekomst’, zegt Terpstra, die met Gasunie enerzijds de huidige energiezekerheid wil waarborgen, en anderzijds met groen gas, waterstof, CO2-opslag en warmte bouwt aan de energievoorziening van de toekomst. 

Het jaarverslag over 2024 is net gepubliceerd. Wat zijn voor jou de highlights?

‘Wat ik belangrijk vind is dat onze investeringen in de energietransitie echt van de grond komen. We zijn definitief voorbij de fase van PowerPointpresentaties met mooie plannen. Gasunie is daadwerkelijk aan het bouwen. Er lopen nu drie grote initiatieven: het Porthos-project voor CO2-opslag, de start van het waterstofnetwerk in Rotterdam en de WarmtelinQ-pijpleiding om industriële restwarmte naar woningen en bedrijven te brengen. Daarmee geven we invulling aan onze nieuwe visie: nieuwe energie voor een welvarende samenleving.’

Bij die nieuwe visie hoort ook een nieuwe strategie. Wat is daarvan de essentie?

‘Wij hebben twee topprioriteiten. In de eerste plaats werken we aan de verduurzaming van de energievoorziening voor bedrijven en huishoudens, waarbij we oplossingen bieden om de industrie in Nederland te houden. Daar gaat twee derde van het investeringsbudget naartoe. Dat zijn vooral de projecten op het gebied van CO2-transport en –opslag en waterstof. En ook de oplossingen voor huishoudens via warmte en groen gas, in combinatie met hybride warmtepompen. Tegelijkertijd moet de energiezekerheid geborgd blijven. Ongeveer een derde van onze investeringen gaat naar de huidige energievoorziening, gebaseerd op aardgas. Dat is belangrijk, want we moeten gedurende de energietransitie blijven zorgen voor een ongestoorde energievoorziening. Wij transporteren aardgas zolang als het nodig is. Om dat te realiseren wordt de capaciteit van terminals voor de import van vloeibaar gas uitgebreid en co-investeren we in Noord-Duitsland. Daarnaast kijken we naar verlenging van onze drijvende LNG-terminal in de Eemshaven.’

Op welke punten wijkt de nieuwe strategie af van de oude?

‘De laatste strategie-update was van 2016. De energietransitie was toen nog een streven. Gasunie ontwikkelde zich destijds als Europese gastransporteur. Die situatie is nu compleet anders. Het streven is realiteit geworden. We investeren inmiddels volop in de energietransitie. Belangrijk is ook dat we, meer dan in het verleden, samen met andere partijen, zoals TenneT, werken aan geïntegreerde oplossingen. Duurzame gassen en duurzame stroom horen allebei thuis in de energievoorziening van de toekomst. Het gaat erom dat we de energietransitie voor zowel huishoudens als industrie mogelijk maken.’

De industrie heeft het moeilijk, in Europa maar zeker ook in Nederland. Welke rol speelt Gasunie bij het toekomstbestendig maken van de industrie?

‘Wat mij betreft kan een welvarende samenleving niet zonder een gezonde industrie. Het besef dat de industrie het moeilijk heeft, begint steeds breder door te dringen. Het rapport vorig jaar van voormalig president van de Europese Centrale Bank Mario Draghi over de concurrentiekracht van Europa was belangrijk. Nu in Nederland fabrieken hun deuren sluiten, neemt het gevoel van urgentie verder toe.
Gasunie speelt een belangrijke rol bij het realiseren van een betrouwbare en betaalbare energievoorziening, zowel voor de industrie als voor huishoudens. Eén ding is zeker: de industrie kan niet verduurzamen zonder de infrastructuur van Gasunie. Als je naar het huidige energiesysteem kijkt, dan is 20 procent elektrisch en wordt 80 procent van de energie geleverd door moleculen, zoals aardgas. Op moleculengebied spelen wij een rol in het transport via pijpleidingen. Door elektrificatie van de mobiliteit, industriële processen en de verwarming, zal het percentage stroom in de energiemix groter worden. Maar we blijven ook in de toekomst moleculen nodig hebben. De industrie en de chemie hebben bijvoorbeeld moleculen nodig als grondstof voor de productie van kunststoffen. Daarnaast moet het energiesysteem flexibel, robuust en betrouwbaar zijn en ook daar heb je moleculen voor nodig.’

Maar er zijn toch ook nog moleculen als brandstof nodig?

‘Nou en of, bijvoorbeeld voor ovens en industriële processen waarvoor hele hoge temperaturen nodig zijn. En dan zijn er nog moleculen nodig als buffer voor de elektriciteitsproductie. Het aanbod van groene stroom van zonnepanelen en windparken is grillig. Dat zagen we eind vorig jaar. Toen zon en wind het dagenlang lieten afweten, draaiden de energiecentrales overuren. Er blijft altijd behoefte aan zogenoemd regelbaar vermogen die op termijn ook duurzaam moet zijn. Voorlopig draaien de meeste centrales op aardgas, in de toekomst steeds vaker op groen gas, biomassa en waterstof.
We realiseren ons in Nederland te weinig dat elektriciteit en moleculen elkaar versterken. Met alleen elektriciteit haal je het niet. De infrastructuur voor elektriciteit is heel erg duur. Energie uit moleculen is complementair aan energie uit elektriciteit. We hebben moleculen nodig voor de industrie en op de momenten dat er geen elektriciteit is. Bovendien hebben we de infrastructuur voor moleculen al liggen, namelijk het aardgasnet. Dat netwerk kunnen we grotendeels hergebruiken en dat is goed voor circulariteit, snelheid en betaalbaarheid.

Het samenspel tussen elektriciteit en moleculen levert de meest betrouwbare en betaalbare duurzame energievoorziening op. Kijk als voorbeeld naar de hybride warmtepomp. Daarmee gebruik je voornamelijk elektriciteit en verlaag je het gasverbruik. De piekvraag (met name in de winter) kan je door groen gas in laten vullen. Hierdoor wordt het stroomnet minder zwaar belast en is netcongestie minder een probleem en kan je volledig verduurzamen. Complementaire oplossingen zijn in veel gevallen, vanuit systeemperspectief, het goedkoopste en het snelste te realiseren. Dat is belangrijk voor het bedrijfsleven en voor huishoudens, want betaalbaarheid is een issue.’

De Delta Rhine Corridor en het waterstofnetwerk van Gasunie spelen een belangrijke rol bij de transitie. Maar die netwerken worden duurder dan voorzien en later opgeleverd dan gepland. Hoe gaat Gasunie dat oplossen?

‘Dat is eerlijk gezegd een grote uitdaging. Het is ook niet alleen een uitdaging voor Gasunie. Er moet een hele waardeketen tot stand komen. De waterstofmoleculen moeten geproduceerd, getransporteerd en afgenomen worden. Gasunie is een faciliterende partij in het van de grond krijgen van die waardeketen, maar er zijn ook heel veel andere bedrijven bij betrokken, zowel aan de productie als aan de consumptiekant.

Het klopt dat de energietransitieprojecten duurder worden en onze infrastructuur is daarin geen uitzondering. Door inflatie is alles duurder geworden. Ook de langdurige vergunning- en bezwaarprocedures spelen ons parten. Lange procedures hebben voor een vertraging van een jaar of twee gezorgd. Dat heeft effect op de kosten.
Het is overigens belangrijk om te vertellen dat de eerste kostenramingen voor de waterstofinfrastructuur stammen van vóór de Oekraïne-oorlog. Mede door die oorlog zijn we tot de conclusie gekomen dat we bepaalde pijpleidingen langer nodig hebben voor aardgas. Daardoor kunnen we op korte termijn een kleiner deel van het netwerk ombouwen naar waterstof, waardoor de investeringen hoger uitpakken.

We kijken samen met de overheid naar praktische voorstellen om vergunningen te versnellen. Nu duurt het al met al 8 tot 10 jaar om een leiding aan te kunnen leggen. We respecteren uiteraard het democratische recht om bezwaar te maken, maar het slagen van de energietransitie is een nationaal en strategisch belang. Dat mag wel wat meer meewegen vind ik. We kunnen het ons niet veroorloven veel tijd te verliezen.’ 

Wat zou Gasunie concreet kunnen doen om sneller een vergunning te krijgen?

‘Als het gaat om de aanleg van ons landelijke waterstofnetwerk hebben we te maken met vele duizenden grondeigenaren. Op een groot deel van die trajecten liggen al gasleidingen die we willen ombouwen naar waterstof. Bij het aanleggen van de gasleidingen zijn er al afspraken gemaakt met alle grondeigenaren. Moeten we nu met al die eigenaren nieuwe afspraken maken omdat we een ander molecuul door die buis willen transporteren? Wij zouden graag gebruik willen maken van de bestaande afspraken. Daarover zijn we in gesprek.’

De eerste bedrijven uit de energie-intensieve industrie hebben hun vertrek uit Nederland al aangekondigd. Is er wel genoeg tijd?

‘We zien in Rotterdam inderdaad bedrijven omvallen. Sluipenderwijs is de de-industrialisatie al een tijd aan de gang. Het is wat ze noemen death by a thousand cuts. Veel bedrijven in de basisindustrie zijn onderling verbonden, doordat ze bijvoorbeeld restwarmte of stoom aan elkaar leveren. Elke schakel die wegvalt, verzwakt het hele cluster. Totdat het hele kaartenhuis in elkaar valt.

Het probleem is dat er voor de komende 5 à 10 jaar voor de industrie niet heel veel opties zijn. Het wordt krap, de urgentie is hoog. Je hebt infrastructuur nodig om te verduurzamen. We zitten echt op een kantelpunt. De vraag is of we gaan verduurzamen mét of zónder de industrie.

Als het niet lukt om de industrie te verduurzamen, dan zou dat desastreus zijn voor de economie en de werkgelegenheid en maakt ons afhankelijk en kwetsbaar. Onlangs sprak ik daar met Mario Draghi over. Hij zei dat we in Europa hebben onderschat wat het fundamentele belang is van energie en industrie. Het zijn niet zomaar sectoren, het zijn enablers voor de rest van de economie en de samenleving. Natuurlijk, chemie kun je ook ergens anders doen, maar als je het als essentiële pijler onder de economie beschouwt, wat het ook is, dan realiseer je je hoe belangrijk het is om de chemie voor Europa te behouden. Dat is nodig voor de strategische autonomie. We mogen niet te afhankelijk worden van andere regio’s in de wereld. Daarvoor zijn de geopolitieke onzekerheden te groot.’ 

Het komt aan op het creëren van waardeketens voor duurzame waterstof en CO₂-opslag. Hoe draagt Gasunie daar aan bij?

‘Het begint met begrijpen van de rol van moleculen in het energiesysteem. Er komen steeds meer windparken op zee en die leveren steeds meer elektriciteit. Maar de opbrengst van die windparken loopt terug omdat er steeds meer uren zijn waarop ze overschotten produceren. Als het hard waait, leveren die windmolens meer elektriciteit dan we nodig hebben. Daardoor ontstaan negatieve prijzen. Als je die overschotten omzet in groene waterstof, dan doe je er iets nuttigs mee, want je creëert groene moleculen voor de industrie en eventueel voor de gascentrales die je als back-up nodig hebt. Het verhoogt het aantal draaiuren van wind- en zonparken en verbetert daarmee hun businesscase.

Het voordeel is bovendien dat het transport van moleculen goedkoper is dan het transport van elektriciteit. Dus als je een deel van je windenergie omzet in groene waterstof, zijn je totale investeringen voor infrastructuur lager.

Er wordt naar mijn smaak te vaak en te snel gezegd dat de kostprijs van groene waterstof te hoog is. De prijs voor een kilo groene waterstof is inderdaad nog hoog. Maar als je kijkt naar het hele energiesysteem, dan zie je dat groene waterstof de duurzame energievoorziening goedkoper maakt dan wanneer je geen moleculen gebruikt. Elektriciteit is efficiënt in gebruik, maar duur om te transporteren. Bij moleculen is het andersom, je verliest wat energie in het gebruik, maar het is goedkoop te transporteren. We moeten daar de juiste mix in vinden.

De integratie van elektronen en moleculen moeten we als Gasunie denk ik duidelijker uitleggen. Een deel van de waarde die we met groene moleculen creëren, moeten we doorzetten naar de industrie. Daarbij moeten we wat mij betreft pragmatisch zijn. Het einddoel is duidelijk, een fossielvrij energiesysteem, maar onderweg daar naartoe moet je CO2-arme moleculen zoals blauwe waterstof toestaan. Dat is goedkoper en helpt ons op weg.’

Maar Europese regelgeving staat geen blauwe waterstof toe

‘We moeten nieuwe markten niet dichtreguleren voordat ze überhaupt van de grond zijn gekomen. In de Europese RED 3-richtlijn (Renewable Energy Directive, red.) staan heel veel regels die de ontwikkeling tegenwerken. Voordat je moleculen ‘groene waterstof’ mag noemen, moet je bijvoorbeeld aantonen dat er nieuwe groene stroom voor wordt opgewekt, anders is het verdringing. De consequentie is dat er in Noord-Duitsland en Denemarken nu windmolens stilstaan, en niet gebruikt mogen worden om groene waterstof te produceren. RED 3 eist dat er nieuwe windmolens worden gebouwd voor de productie van waterstof. Dan ben je wat mij betreft het paard achter de wagen aan het spannen.

Het idealisme achter RED 3 is op zichzelf begrijpelijk, maar het werkt nu beperkend. De industrie heeft mogelijkheden nodig om te verduurzamen. Ik zeg: laten we die waterstofeconomie eerst eens opstarten, anders is er straks geen markt om te reguleren.’

Veel werk aan de winkel dus. Wat betekent de nieuwe strategie voor de organisatie en de medewerkers?

‘We zijn niet meer de monopolist die alleen aardgas transporteert. Door de energietransitie begeven we ons op nieuwe paden en markten die ontwikkeld moeten worden. Ook daar komt onze kennis goed van pas, maar dat is wel een ander speelveld, dat meer flexibiliteit vraagt. We zullen ons als organisatie meer naar buiten moeten richten, zodat we beter kunnen inspelen op wat bedrijven en huishoudens nodig hebben. Gasunie zoekt al steeds vaker de samenwerking op. Bovendien zullen we niet alleen moeten kijken naar energiezekerheid, maar ook naar betaalbaarheid.

De nieuwe strategie komt natuurlijk niet uit de lucht vallen. Het is een bevestiging van de weg die Gasunie de afgelopen jaren is ingeslagen. Dat slaat intern aan. Medewerkers van Gasunie zijn trots op de maatschappelijke rol die we spelen en de duurzame ambitie die we uitdragen. We slagen er ook in om in een krimpende arbeidsmarkt nieuwe collega’s te werven. Gasunie heeft ruim 3.000 medewerkers. Daar zit heel veel positieve energie in.’