Interview: Planning landelijk waterstofnetwerk geactualiseerd
Nieuws
Hynetwork, dochteronderneming van Gasunie, levert de komende jaren het landelijke waterstofnetwerk in Nederland gefaseerd op. Het eerste deel is uiterlijk in 2026 in Rotterdam klaar voor gebruik. In de jaren erna komt de infrastructuur binnen de industriële clusters langs de Nederlandse kust beschikbaar, dit gebeurt voor of in 2030. Dit betekent dat het waterstofnetwerk niet in 2030 klaar is, maar uiterlijk in 2033. Helmie Botter, manager Business Development Hydrogen bij Gasunie, en Joost Hooghiem, directeur Waterstofnetwerk Nederland, lichten de stand van zaken toe. ‘De ontwikkeling van de waterstofmarkt gaat minder snel dan verwacht en de infrastructuur vormt daarop helaas geen uitzondering. We vinden deze vertraging ontzettend vervelend en begrijpen dat dit impact op de markt heeft. We blijven ons daarom inzetten om het netwerk zo snel als mogelijk te realiseren.’
In 2022 heeft toenmalig minister Rob Jetten van Energie & Klimaat Gasunie de opdracht gegeven om een landelijk waterstofnetwerk aan te leggen. Wat was toen het plan?
Joost Hooghiem: ‘De industrie heeft waterstof nodig om te kunnen verduurzamen. De opdracht is om een waterstofnetwerk aan te leggen om de vijf grote industrieclusters in Nederland met elkaar te verbinden. En ook om verbindingen te leggen met netwerken in Duitsland en België, en met de ondergrondse waterstofopslag in Zuidwending.
Helmie Botter: ‘Die opdracht is niet veranderd, de timing wel. Het oorspronkelijke idee was om het netwerk in 2030 volledig operationeel te hebben. Nu we een aantal jaren verder zijn, moeten we helaas constateren dat die planning grotendeels niet haalbaar is. De bouw van het netwerk in Rotterdam is al begonnen, dat stuk is in 2026 klaar, op tijd. Voor de andere clusters zijn de voorbereidingen in volle gang.’
Rotterdam is op tijd, maar voor de rest loopt de uitvoering dus vertraging op. Hoe ziet de nieuwe fasering eruit?
Joost: ‘De planning is dat het landelijke waterstofnetwerk uiterlijk in 2033 klaar is. Daar werken we in fasen naartoe. Zoals gezegd stroomt de eerste waterstof in 2026 door ons netwerk in Rotterdam. De netwerken in de andere clusters aan zee zijn uiterlijk in 2030 klaar, inclusief een verbinding naar België vanuit Zeeland en een verbinding naar Duitsland vanuit Noord-Nederland. Ook de opslag van waterstof in zoutcavernes in Zuidwending kan dan aangesloten zijn.’
Helmie: ‘In de periode 2031-2033 volgen de verbindingen om de clusters op elkaar aan te sluiten. Onderdeel hiervan is de Delta Rhine Corridor, een nieuwe pijpleiding van Rotterdam naar Boxtel. Een groot deel van de verbindingen in het waterstofnetwerk zal bestaan uit omgebouwde aardgaspijpleidingen.’
Waarom is het nodig de planning op te schuiven?
Joost: ‘Er zijn twee hoofdoorzaken. In de eerste plaats duren de procedures om vergunningen te krijgen veel langer dan we vooraf hadden ingeschat. Zowel voor de aanleg als de operatie van waterstofpijpleidingen hebben we een vergunning nodig.’
Helmie: ‘Na de aankondiging in 2022 is de nieuwe Omgevingswet van kracht geworden. We wisten natuurlijk dat die wet eraan zat te komen, maar niet precies hoe dat in de praktijk zou gaan uitpakken.’
Joost: ‘Participatie is door die wet veel belangrijker geworden. We vonden participatie voorheen ook belangrijk, maar met de nieuwe wet kost het gewoon meer tijd. En er is meer verwevenheid tussen het vergunningsproces en de engineering dan vooraf verwacht. Onderzoek naar de flora en fauna rond de bouwplaats of archeologische rapporten hebben vaker impact op het ontwerp. We dachten een aantal van dat soort trajecten parallel te kunnen doen, maar dat blijkt niet te kunnen, waardoor de doorlooptijden toenemen.’
‘Een tweede oorzaak heeft te maken met schaarste aan voldoende en gekwalificeerd personeel. Geen enkele betrokken partij heeft onbeperkte capaciteit. Dat geldt voor Gasunie, ingenieursbureaus, aannemers, bureaus die omgevingsonderzoeken doen en ook voor de overheden.’
Hoe verhoudt het waterstofnetwerk van Gasunie zich tot de Delta Rhine Corridor?
Helmie: ‘De nieuwe waterstofleiding in de Delta Rhine Corridor is onderdeel van het landelijke waterstofnetwerk. Maar de Delta Rhine Corridor behelst meer dan waterstof. Kortgeleden heeft de overheid besloten dat voor de Delta Rhine Corridor een gezamenlijke vergunningenprocedure wordt gevolgd voor de waterstof- en CO2-pijpleiding.’
‘Vlak voor de zomer van 2024 besloot de toenmalige minister, Rob Jetten, nog om voor alle modaliteiten die destijds in de Delta Rhine Corridor zaten een gezamenlijke procedure te volgen. Daarmee zou de planning opschuiven van 2028 naar ten minste 2032. Dat was een grote tegenvaller. Sinds de zomer hebben we daarom zitten broeden op alternatieven voor het transport van waterstof en CO2. Ook heeft Gasunie gewerkt aan een grondige integrale planning, samen met het ministerie en de andere initiatiefnemers, zoals TenneT voor de gelijkstroomkabels en het Havenbedrijf Rotterdam voor de ammoniakpijpleiding. Op basis daarvan hebben we geconstateerd dat bij een gezamenlijke procedure voor al deze modaliteiten, de infrastructuur niet voor 2040 beschikbaar zou zijn. Voor de verduurzaming van de industrie is een eerdere beschikbaarheid van de Delta Rhine Corridor van groot belang. Daarom heeft het kabinet begin december besloten om prioriteit te geven aan de aanleg van de waterstof- en CO2-infrastructuur. Daarmee is voor waterstof 2031-2032 wel haalbaar, en voor CO2 is dat 2032/2033. Onze alternatieven waren niet eerder gereed dan deze jaartallen.’
Hoe zijn de eerste reacties op de vertraging?
Helmie: ‘We vinden het belangrijk om zo veel mogelijk en zo snel mogelijk persoonlijk in gesprek te gaan met belanghebbenden om de impact van de geactualiseerde planning te begrijpen. Daarom hebben we inmiddels een aantal eerste gesprekken gevoerd. Daaruit komt een beeld naar voren dat men met de ontwikkeling in of voor 2030 in de clusters aan de kust min of meer kan leven. De timing daarna ligt moeilijk, omdat 2030 voor waterstof een kantelpunt kan worden. En dat snappen wij. Veel beleidsdoelen zijn immers gericht op 2030.
‘We willen niet de indruk wekken dat we ons bij deze planningen neerleggen. We gaan samen met betrokken partijen optrekken om zo snel mogelijk te kunnen leveren. Daarnaast gaan we met de overheid en partijen aan de slag om de vraag en het aanbod van waterstof van de grond te krijgen. Want naast infrastructuur zijn er nog meer obstakels om de markt te laten werken. De prijs van duurzame waterstof is voor veel afnemers nog altijd te hoog. Bovendien zijn er nog veel onzekerheden in Nederland en Europa, zoals regulering. Zowel producenten als afnemers wachten daarom met het nemen van grote investeringsbeslissingen.’
Wat zeggen jullie tegen bedrijven die hun verduurzamingsplannen moeten uitstellen?
Joost: ‘Iedereen roept ons op om te versnellen. Dat begrijpen we heel goed. We zetten alles op alles om zo snel mogelijk te leveren. We zoeken naar mogelijkheden om de doorlooptijd te versnellen.’
Helmie: ‘De vertraging is echt heel vervelend. Bedrijven zijn niet blij met de planning die er nu ligt. En wij zelf natuurlijk ook niet. De industrie heeft plannen voor 2030. Als de infrastructuur er niet is, moeten ze de verduurzaming van hun productieprocessen naar achter schuiven. We willen allemaal een duurzamere wereld. We willen dat de industrie in Nederland blijft. Dat is belangrijk voor de welvaart en de werkgelegenheid van Nederland. In andere delen van de wereld is energie goedkoper, maar Nederland heeft enorm veel kansen met z’n havens, infrastructuur en zoutlagen voor opslag. Er is snelheid nodig om die kansen te verzilveren. In dat spel hebben wij de taak om de benodigde infrastructuur aan te leggen. We werken er hard aan. Helaas zijn we geen uitzondering op de vertragingen waar iedereen tegenaan loopt.’
Joost: ‘Ik wil graag snel kunnen starten met bouwen, maar we moeten alle noodzakelijke stappen zetten voordat de schop de grond in kan. Talloze projectteams doen hun stinkende best om de snelste planning te halen. De meeste doorlooptijd zit in vergunningsprocedures. We gaan daarom met de Rijksoverheid aan de slag om te kijken of en hoe we die doorlooptijden kunnen verkorten, terwijl we tegelijk de zorgvuldigheid bewaren.’
Biedt de aanleg van de drijvende LNG-terminal in de Eemshaven in 2022 nog inspiratie bij het verkorten van doorlooptijden?
Joost: ‘Vanwege de gascrisis kregen we die terminal in zes maanden operationeel. We konden tempo maken, omdat gedoogd werd dat we aan de slag gingen vóórdat de vergunning werd verleend. Maar vergeet niet dat die terminal in een industrieel gebied is aangelegd. Dat is wat anders dan een pijpleiding aanleggen in de nabijheid van omwonenden. Daarbij koesteren wij het democratische recht van bijvoorbeeld omwonenden of grondeigenaren om hun reactie te kunnen geven. Maar voor de aardgaspijpleiding die we gaan ombouwen naar waterstof kun je je afvragen of we daar een volledige vergunningsprocedure voor nodig hebben. We gaan alleen de afsluiters vervangen. Dat betekent dat we maar op een paar plekken aan het werk hoeven. Een afgeslankte vergunningsprocedure zou dan een oplossing kunnen zijn.’
Er zijn ook bedrijven buiten de vijf grote industrieclusters. Wat betekent de nieuwe planning voor deze zogenoemde cluster 6-bedrijven?
Helmie: ‘Alle bedrijven in cluster 6 kunnen – net als industrie in een industriecluster - een aansluiting op het waterstofnetwerk krijgen. De timing is afhankelijk van de locatie. In lijn met de ombouw en aanleg van het hoofdnet, kunnen aftakkingen naar cluster 6-bedrijven worden aangelegd.’
Joost: ‘We roepen bedrijven op zich te melden als ze een aansluiting willen.’
Helmie: ‘De cluster 6-bedrijven kunnen een belangrijke rol spelen om de waterstofketen tot stand te brengen. In het Noorden van Nederland zien we bijvoorbeeld een aantal grote projecten voor waterstofproductie. In deze regio kunnen aan de vraagkant de cluster 6-bedrijven bijdragen om in het Noorden ook een waterstofketen tot stand te brengen.
Zodra zeker is dat het netwerk er komt, neemt de interesse bij andere partijen ook toe. Marktpartijen kunnen namelijk het infrastructuurrisico wegstrepen. Dat gebeurt nu in Rotterdam. Daar is de bouw begonnen en komen allerlei bedrijven met verzoeken om een aansluiting.’
Hoe zeker zijn jullie van de huidige planning? Is er een kans op nieuwe aanpassingen?
Joost: ‘In de oude planning was weinig ruimte voor tegenvallers.. Nu werken we met een zogenoemde probabilistische planning waarin we zo veel mogelijk rekening houden met risico’s die vertragingen tot gevolg hebben. We communiceren voortaan per tracé van het waterstofnetwerk twee opleverdata: een datum gebaseerd op een zogenaamde p50-planning en een datum gebaseerd op een p90-planning. p50 betekent dat we inschatten dat het betreffende tracé met 50% zekerheid binnen de planning kan worden gerealiseerd, bij een p90-planning is dat 90%. We geven marktpartijen daarmee meer inzicht in de planning en de risico’s, zodat ze een betere eigen risico-afweging kunnen maken.’
Helmie: ‘We willen graag samen met de regio en partijen in detail naar de planning kijken om te zien welke mogelijkheden er zijn om de planning zo snel als mogelijk te kunnen realiseren. Welke risico's kunnen we samen wegnemen om ervoor te zorgen dat de infrastructuur er zo snel mogelijk komt? Wat kunnen we samen doen om te zorgen dat de waterstofmarkt tot stand komt? We hebben immers een gezamenlijk doel om de industrie te verduurzamen, Nederland dé Noordwesteuropese hubfunctie voor waterstof te laten zijn en een duurzaam en welvarend Nederland te realiseren.
We gaan hierover - aan de hand van het voorstel tot aanpassing van het uitrolplan - graag met partijen in gesprek. Na consultatie zullen wij het plan aanpassen en bij de minister van Klimaat en Groene Groei indienen. De minister zal het definitieve uitrolplan vaststellen.’